Lastige tijden in de Nederlandse taal

Lastige tijden in de Nederlandse taal

Door het werkwoord te vervoegen verandert van de vorm van een werkwoord. De persoon wordt daarmee enkelvoud of meervoud: ik werk, wij werken, of om de tijd waarin de gebeurtenis plaats vind aan te geven. Verleden, heden, toekomst: ik werk, ik werkte.

Bij onregelmatige werkwoorden is de verleden tijd anders, verandert de klank van het werkwoord. Zoals bij ik loop - Ik liep.

De Stam
Bij sommige werkwoorden ziet de stam er wat raar uit: als je bijvoorbeeld bij "leven" de letters -en weghaalt, krijg je lev. Toch is lev echt de stam van leven.

Voorbeeld werkwoorden:


Werken - werk(-en) - dan is "werk" de stam
Dansen - dans(-en) - dan is "dans" de stam
Fietsen - Fiets(-en) - dan is "fiets" de stam
Beloven - belov(-en) - dan is "belov" de stam

De stam is meestal wel maar niet altijd gelijk aan de ik-vorm.


Uitzondering


Er is één uitzondering. Dat is als een zin vragend is.
Achter jij komt stam + t

Jij werkt

Maar in een vraag vervalt de t weer

Werk jij?
 

Onregelmatige werkwoorden


Bij onregelmatige werkwoorden is de verleden tijd anders, de klank van het werkwoord verandert. En ook de vervoeging doe je dan met de verledentijdsstam.

Voorbeeld van het werkwoord gaan

Ik ging
jij ging
Hij/zij/het ging
Ging jij?
Wij/jullie/zij gingen
 

't Kofschip


't Kofschip is een ezelsbruggetje.

Of een –d of –t gebruikt hangt af van de laatste letter van het woord.
De vervoeging -te wordt toegevoegd aan werkwoorden waarvan de stam eindigt op een van die medeklinkers uit 't kofschip.
De medeklinkers uit 't kofschip, dus de t, k, f, s, ch en p, helpen je te bepalen of een zwak werkwoord de uitgang -te of -de krijgt in de verleden tijd.

Als je nu de twee werkwoorden "blaffen" en "leven" naast elkaar zet dan wordt blaffen - blafte en leven - leefde.
Omdat de stam van blaffen "blaf" is met een f op het eind
terwijl de stam van leven "lev" is met een v op het eind


Hulpje


Gebruik het werkwoord lopen als hulpje.

Schrijf je nu een werkwoord eindigend op een d +t of zonder -t?

Vervang het werkwoord door "lopen"

Hij loopt - -je hoort een "t" dus het vervangen werkwoord schrijf je met dt.

Hij wordt - hij loopt - dus wordt schrijf je met dt

De tijden
1. O.T.T.: onvoltooid tegenwoordige tijd
2. O.V.T.: onvoltooid verleden tijd
3. O.T.T.T.: onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd
4. O.V.T.T.: onvoltooid verleden toekomende tijd
5. V.T.T.: voltooid tegenwoordige tijd
6. V.V.T.: voltooid verleden tijd
7. V.T.T.T.: voltooid tegenwoordige toekomende tijd
 

Lastige tijden in de Nederlandse taal voorbeelden


Hulpwerkwoorden van de voltooide tijd zijn "hebben" en "zijn", het hulpwerkwoord
van de toekomende tijd is "zullen".

 

1 O.T.T.: onvoltooid tegenwoordige tijd


Maria gaat naar school. (gaan)
Ik dans door de zaal. (dansen)
Hij werkt in de tuin. (werken)
Wij bieden onze auto aan. (aanbieden)
De hond loopt weg.(weglopen)

 

2 O.V.T.: onvoltooid verleden tijd


Maria ging naar school.
Ik danste door de zaal.
Hij werkte in de tuin.
Wij boden onze auto aan.
De hond liep weg.

 

3 O.T.T.T.: onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd


Maria zal naar school gaan.
Ik zal door de zaal dansen.
Hij zal in de tuin werken.
Wij zullen onze auto aanbieden.
De hond zal weg lopen.

 

4 O.V.T.T.: onvoltooid verleden toekomende tijd


Maria zou naar school gaan.
Ik zou door de zaal dansen.
Hij zou in de tuin werken.
Wij zouden onze auto aanbieden.
De hond zou weglopen.

 

5 V.T.T.: voltooid tegenwoordige tijd


Maria is naar school gegaan.
Ik heb door de zaal gedanst.
Hij heeft in de tuin gewerkt.
Wij hebben onze auto aangeboden.
De hond is weggelopen.


6 V.V.T.: voltooid verleden tijd


Maria was naar school gegaan.
Ik had door de zaal gedanst.
Hij had in de tuin gewerkt.
Wij hadden onze auto aangeboden.
De hond was weggelopen.

 

7 V.T.T.T.: voltooid tegenwoordige toekomende tijd


Maria zal naar school gegaan zijn.
Ik zal door de zaal gedanst hebben.
Hij zal in de tuin gewerkt hebben.
Wij zullen onze auto aangeboden hebben.
De hond zal weggelopen zijn.

 

8 V.V.T.T.: voltooid verleden toekomende tijd


Maria zou naar school geweest zijn.
Ik zou door de zaal gedanst hebben.
Hij zou in de tuin gewerkt hebben.
Wij zouden onze auto aangeboden hebben.
De hond zou weggelopen zijn.

Voor hulp bij vervoegingen ga je naar Mijn woordenboek werkwoorden van A tot Z.
 

Deze pagina is met de grootste zorg in correct Nederlands samengevat.
Mocht je toch een schrijffoutje ontdekken dan hoor ik dat graag van je.
Erkenning afbeeldingen Pxhere

© vrij

We hebben je toestemming nodig om de vertalingen te laden

Om de inhoud van de website te vertalen gebruiken we een externe dienstverlener, die mogelijk gegevens over je activiteiten verzamelt. Lees het privacybeleid van de dienst en accepteer dit, om de vertalingen te bekijken.