
12 Taalcoach tips en oefeningen
Hieronder volgen 12 tips die anderstaligen kunnen helpen om de Nederlandse taal sneller onder de knie te krijgen.
Tip 1
Plak gele stick-up briefjes



Ga het hele huis door en plak overal gele stick-up notities. Denk eraan om de lidwoorden erbij te schrijven. Dit is erg moeilijk voor anderstaligen.

Tip 2
Schrijf zelfstandige naamwoorden op
Schrijf op elke brief één woord, en laat dit woord beschrijven. Ze mogen het woord zelf niet noemen. Denk hierbij vooral aan het niveau. De winter beschrijven is makkelijker dan een seizoen uitleggen. Je kunt het niveau per persoon aanpassen. Een beginneling geef je woorden als stoel, tafel en deur, een gevorderde leerling krijgt woorden als APK keuring en Prinsjesdag.
Tip 3
Speel Pim, Pam, Pet
Je kunt hiervoor ook heel makkelijk je eigen vragen maken en de letter draaien.

Tip 4
Maak een dictee
Maak je dictee met 10 zinnen die op dit moment aan de orde zijn. Daarna heb je gespreksstof genoeg om de zinnen en de verschillende betekenissen van de woorden uit te leggen, en in te gaan op de vragen.
Bespreek bijvoorbeeld de dubbele betekenissen van een woord:
Je ziet hieronder 2x het woord "weer" staan bijvoorbeeld.
Hoe leg je b.v. een woord met de dubbele betekenis als "bevallen" uit?
Welke woorden schrijf je met een hoofdletter?
- Mijn auto moet dinsdag naar de garage voor de APK.
- Ik hoop dat de auto door de keuring komt, anders kan ik woensdag niet komen.
- Bevallen je nieuwe gordijnen goed?
- Ik drink liever Nederlandse koffie.
- Heb je gisteren het Nieuws nog gekeken?
- Gelukkig is het weer hier beter.
- Wat heb je op school gedaan?
- Waar heb je die heerlijke koekjes gekocht?
- Is het gelukt om boeken bij de bibliotheek te halen?
- Moet je morgen of overmorgen weer naar school?
Je kunt ervoor kiezen de cursist alleen de onderstreepte woorden te laten opschrijven. Tevens zijn de onderstreepte woorden geschikt om te bespreken.
Tip 5
Speel het spel "Ik ga op vakantie en ik neem mee….."
Bij de meeste cursisten zal het een andere lading hebben. Ik ga op reis en laat achter...
Om de beurt noem je iets wat mee gaat.
Ik ga op vakantie en neem een tandenborstel mee
de volgende zegt
Ik ga op vakantie en neem een tandenborstel en een jas mee
dan
Ik ga op vakantie en neem een tandenborstel, een jas en een koffer mee
De rij wordt steeds langer!

Tip 6
Dan denk ik aan...
Voorbeeld
Het voetbalstadion
Dan denk ik aan: voetbal, supporters, een bal, groen gras, tribune, voetballers, oranje
De supermarkt; de boerderij; de bibliotheek; het ziekenhuis; de politie; de tuin; de bioskoop; het strand;
Tip 7
Ons alfabet
Schrijf achter elke letter een Nederlands woord.
Hou je bij alles wat je opschrijft aan het schoolschrift.

Tip 8
Geef een ander woord voor:
Voorbeelden:
Raam: Venster, ruit, lijst, kader
Janken: Huilen, grienen, jengelen
Raadhuis: Gemeentehuis
Beven: Trillen, bibberen
Acteren: Optreden, toneelspelen
Bezoeker: Gast, logé
Oplossen: Uitrekenen, berekenen, verdwijnen, uitzoeken
Agrariër: Boer
Veer: Vogelpluim, pont, spiraal, dons
Duik het synoniemen woordenboek in voor ideëen.
Tip 9
Oefen met klanken
Nederlandse klankgedichtjes
ei – ij
Ik kook een ei
ik doe er nog één bij
want jij komt bij mij
een ei voor jou
en een ei voor mij
Klik hier voor meer gedichtjes
Tip 10
Leer snel korte Nederlandse zinnen voor zelfredzaamheid
Wat zeg je?
Ik begrijp je niet.
Dit is het eerste wat je hen moet leren.

Tip 11
Vervoegen van werkwoorden
Erg lastig voor anderstaligen.
Ik ga naar school.
Ik ging naar school.
Ik ben naar school gegaan.
Ik was naar school gegaan.
Ik zal naar school gaan.
Ik zal naar school gegaan zijn.
Ik zou naar school gaan.
Ik zou naar school gegaan zijn.
Tip 12
Maak een eigen Kennis Quiz
Maak je eigen vraag en antwoord quiz toegespitst op je locatie en het niveau van je client.
Link naar 200 voorbeeld vragen die je kunt kopiëren en uitprinten.
Deze pagina is met de grootste zorg in correct Nederlands samengevat.
Mocht je toch een schrijffoutje ontdekken dan hoor ik dat graag van je.
Erkenning afbeeldingen Pxhere
© vrij